Ik voelde hoe bevrijdend het voor mensen kon zijn, wanneer ze openlijk mochten praten over hun rauwe rouw - mijn verhaal (deel 2)

Ik voelde hoe bevrijdend het voor mensen kon zijn, wanneer ze openlijk mochten praten over hun rauwe rouw - mijn verhaal (deel 2)

‘Het is alsof ik mezelf hoor praten als ik je teksten lees’.

Het waren woorden die ik heel vaak terugkreeg na een interview. Complimenten laten binnenkomen, was minder mijn métier, maar op dié woorden was ik altijd trots.

Nu begrijp ik waarom.

Het betekende dat iemand - die ik niet ken, en die mij niet kent - zich veilig genoeg had gevoeld om hun authentieke zelf aan mij te laten zien. En dat die veiligheid ervoor had gezorgd dat ik ‘binnen’ mocht. Meer dan dat: dat ik vertrouwd werd met het kostbaarste dat iemand kan hebben. Diens essentie.

Want geïnterviewd worden is natuurlijk altijd een risico. Je kan makkelijk verkeerd begrepen worden, woorden kunnen - opzettelijk, maar veel vaker onopzettelijk - uit de context gehaald worden, of je kan overkomen als iemand die je éigenlijk niet bent. Geïnterviewd worden is: de controle uit handen geven. En hopen dat die vervolgens in veilige handen terechtkomt.

Veiligheid creëeren is dus de eerste en belangrijkste taak van de interviewer.

Daarvoor had ik geen tactiek of techniek. Het gebeurde gewoon. Mensen openden zich, gesprekken stroomden en ik voelde feilloos aan waarover ze wél of net niet wilden praten. En ook al zàg ik de scoops, met een grote, knipperende oranje lichtpijl erboven, nooit ging ik naar gevoelig terrein waarop ik niet gewenst was. Vaak kwam het pijnlijke onderwerp dan uiteindelijk toch naar boven, aan het einde van het gesprek. Off the record, waar het ook bleef.

Door die aanpak miste ik wel vaker rake krantenkoppen, en dat was ongetwijfeld geweten op de redactie. Het mooie was: ik werd er niet op afgerekend, maar kreeg er net méér opdrachten door. En het waren opdrachten die goed bij me pasten.

Zo werd ik als journalist niet ingezet wanneer er scoops ‘gescoord’ moesten worden, of om droge informatie te verzamelen. Maar dus wél voor doorleefde portretten. 

Ook wanneer er empathie nodig was, of een uitzonderlijke fijngevoeligheid, stuurden ze mij. Ouders die een kind moesten missen, mensen die ziek waren, door een moeilijke periode gingen of iets diep traumatisch hadden meegemaakt. Als er diepgang, empathie én veiligheid nodig was, of de onderwerpen ‘zwaar’ waren, moet er op de redactie zoiets geklonken hebben als ‘Stuur Rien daar maar naartoe, die kan daar wel mee om’.

En dat is zo. Voor mij voelt het veel natuurlijker om naar die diepere laag te gaan, dan om aan de oppervlakte te blijven. Uren moeten smalltalken is zowat de ergste straf die je voor mij kan verzinnen. Het zuigt àlle energie uit mijn lijf.

 

Maar laat me verbinden, op een dieper niveau - dan lijkt een gesprek moeiteloos te rollen.

Het was ook tijdens mijn jaren als journalist dat ik merkte hoe ik niet ongemakkelijk word in de aanwezigheid van pijn, verdriet of rouw. Dat ik bleef luisteren en dat ik - als ik daar tenminste de ruimte voor voelde - ook nieuwsgierig vragen bleef stellen. Niet omdat ik sensatie zocht, maar omdat ik voelde hoe bevrijdend het voor mensen kon zijn, wanneer ze openlijk mochten praten over hun rauwe rouw. Zonder dat hun toehoorder daar ongemakkelijk van werd.

Ik zag hoe mensen ervan genoten, dat iemand nog eens àlles wilde horen over hun overleden dierbare, in de plaats van het onderwerp - weliswaar goedbedoeld - uit de weg te gaan. Uit angst om te kwetsen.

Het was vaak een diep helende, wederzijdse ervaring, waarbij de overledene weer tot leven leek te komen - met de woorden en de liefde van de geïnterviewde.  Ik bedankte hen dan altijd, dat ik hun kind, partner, zus of ouder had mogen leren kennen. Omdat het écht zo had gevoeld.


Omdat het

zo écht

had gevoeld.


(lees verder in deel 3 van mijn verhaal)